Een packraft is kort, breed en licht — dat maakt hem wendbaar én eigenzinnig. Zonder techniek zigzag je over het water en ben je ‘s avonds kapot. Met techniek doe je hetzelfde traject sneller, rechter en droger. Oefen elke techniek eerst op vlak water (zie tips) voor je ermee de stroming op gaat.
De juiste houding en grip
Alles begint bij hoe je zit en hoe je je peddel vasthoudt. Zit rechtop met een lichte voorwaartse kanteling van het bekken, voeten tegen de boeg of voetsteun. Houd de peddel losjes vast met de handen iets breder dan schouderbreedte: til de peddel op je hoofd — als je ellebogen een rechte hoek maken, klopt je grip. Knijp niet: een verkrampte grip vermoeit je onderarmen en verpest elke slag die volgt.

De voorwaartse slag
De slag die je duizenden keren per tocht maakt, dus de moeite om goed te leren. De kracht komt niet uit je armen maar uit je romprotatie: draai je bovenlichaam mee met elke slag, plant het blad volledig onder water ter hoogte van je voeten, en trek het langs de boot tot aan je heup — niet verder. Een slag die achter je heup doorloopt, stuurt de boot alleen maar scheef en kost energie.
- Kort en vaak wint van lang en hard: een hogere cadans met kortere slagen houdt een packraft beter op koers.
- Kijk naar een punt in de verte, niet naar je boeg — je vaart automatisch rechter.
- Wissel bewust van kant vóór de boot begint te draaien, niet erna.

De boogslag: sturen
De boogslag (sweep) is je stuur. Plant het blad vooraan bij de boeg en beschrijf een wijde boog van boeg naar hek, zo ver mogelijk van de boot vandaan — hoe wijder de boog, hoe meer de boot draait. Een boogslag rechts draait je naar links, en omgekeerd. De omgekeerde boogslag (van hek naar boeg) draait je nog scherper, maar remt je af.
Op een kronkelende Ardense rivier stuur je continu met halve boogslagen: je hoeft zelden een volledige boog te maken, een wijd geplaatste voorwaartse slag aan de buitenkant van de bocht volstaat meestal.

De steunslag: droog blijven
Kantelt je boot onverwacht — door een golf, een steen of een tak — dan houdt de lage steunslag (low brace) je droog. Sla de bolle kant van het blad plat op het wateroppervlak aan de kant waarnaar je kantelt, ellebogen boven de peddel, en duw jezelf recht met een heupbeweging. Het is een reflex die je moet trainen: oefen op vlak water door je boot bewust te laten kantelen en jezelf terug te duwen.
De ferry: een rivier oversteken
Wil je op stromend water van de ene oever naar de andere zonder afgedreven te worden, dan ferry je: richt je boeg schuin stroomopwaarts (zo’n 45° op de stroming) en peddel rustig voorwaarts. De stroming duwt je dan zijwaarts over de rivier terwijl je nauwelijks terrein verliest. Hoe sterker de stroming, hoe kleiner de hoek. Dit is dé techniek om vóór een stuw of strainer veilig naar de kant met de uitstapplaats te geraken — zie veiligheid.

Eddy’s pakken: pauzeren op stromend water
Achter elke steen, kribbe of bocht ligt een eddy: een zone waar het water stilstaat of zachtjes terugstroomt. Eddy’s zijn je parkeerplaatsen op de rivier — om te rusten, te wachten op je groep of een obstakel te verkennen. Vaar de eddy binnen met snelheid, over de scheidingslijn tussen stroming en keerwater, en leun licht naar de binnenkant van de draai (zoals fietsen door een bocht). Uitvaren doe je omgekeerd: boeg de stroming in, snelheid maken en meeleunen zodra de stroming je boeg pakt.
Omslaan en zelfredding
Iedereen gaat ooit om — de vraag is alleen of je weet wat dan te doen. De volgorde: boot, peddel, jezelf. Houd je peddel vast, grijp je boot (die drijft, ook vol water) en zwem in stromend water in defensieve positie: op je rug, voeten stroomafwaarts en aan de oppervlakte, zodat je obstakels met je voeten afweert en niet met je hoofd. Probeer nooit rechtop te staan in stromend water — een voet die klem raakt tussen stenen is levensgevaarlijk.
Er weer in klimmen op diep water: leg je peddel dwars over de boot, trek je met beide handen op de buis borsthoog uit het water (kikker met je benen), en rol met je zwaartepunt laag terug in het zitgat. Oefen dit minstens één keer per seizoen op warm, vlak water.

Zo oefen je dit
- Vlak water eerst. Kanaal of vijver: houding, voorwaartse slag en boogslag tot ze vanzelf gaan.
- Voeg de steunslag toe zodra je rechtdoor kunt varen zonder na te denken.
- Zoek zachte stroming (de Ourthe of Lesse bij een groen peil) voor ferry’s en eddy’s — begin bij kleine eddy’s achter grote stenen.
- Sluit af met een geplande zwempartij in de zomer: omslaan, defensief zwemmen, er weer in klimmen.
- Wil je sneller vooruit? Een wildwater-introductiecursus bij een kajakclub leert je in één weekend meer dan een seizoen zelf proberen.